Eind jaren ’50: op de redactie van het filmblad Les Cahiers du Cinéma borrelt en bruist het van de ambitie van de jonge garde, die maar wat graag tegen de schenen van de gevestigde Grote Namen van de ‘cinéma de papa’ schoppen.
Jonge filmcritici als François Truffaut, Jean-Luc Godard en Claude Chabrol willen niet alleen schrijven over films, ze willen vooral ook zelf films maken.
Chabrol (met ‘Le Beau Serge’) en Truffaut (met ‘Les 400 Coups’) zijn de eersten van deze Nouvelle Vague die met eigen werk naar buiten treden, maar even later slaagt ook Godard erin om een bescheiden budget los te weken bij de befaamde filmproducent Georges de Beauregard.
Zijn langspeeldebuut moet ‘A Bout de Souffle’ worden, een gangsterfilm die hij samen met zijn makker Truffaut bedacht heeft, en waarvoor hij het hippe jonge Amerikaanse talent Jean Seberg en de nog onbekende Jean-Paul Belmondo in de hoofdrollen wil casten.
Godard – die geen filmopleiding genoten heeft, en die alleen maar enkele onbekende kortfilms gemaakt heeft – verrast de acteurs, crew en producenten met zijn wilde, onconventionele en vaak geïmproviseerde ideeën en dito aanpak.
De productie verloopt zelfs zodanig turbulent dat Seberg eraan denkt de stekker eruit te trekken, en dat Belmondo de stille hint krijgt de film op te geven als hij zijn carrière niet wil ruïneren nog voor ze begonnen is.
En wanneer de opnames uiteindelijk dan toch beëindigd raken, blijkt de film veel te lang. Om de boel in te korten geeft Godard de opdracht bruuske cuts te maken – tot wanhoop van de montageploeg.
Het leidt ertoe dat in het filmwereldje geruchten beginnen te circuleren dat dit weleens de Slechtste Film van het Jaar kan gaan worden…
Na magistrale films als ‘Boyhood’ en de ‘Before’-trilogie serveert Richard Linklater ons nu